Onze verhalen


Hoe te begrijpen hoe alles werkt?

Ik ben in de jaren zestig grootgebracht met strenge opvattingen van mijn vader over goed en fout. Daarbij ging het niet alleen over zaken van rechtvaardigheid en moraal. Op de lijst van goed stonden bijvoorbeeld moderne kunst, wollen mutsen en macrobiotisch eten. En hoog op de lijst van fout – abject noemde hij het - stonden melk en sport. Sport, vooral balsport en helemaal voetbal, was voor dommen en roekelozen. Het liefst zou hij mijn broer en mij hebben behoed voor gymlessen op school, maar zover reikte zijn invloed niet.

Op turnen mocht ik niet en balletles was geen succes. Ik rende na een les de zaal uit, struikelde over een drempel en brak mijn voortand. Einde ballet. Met zwemmen stopte ik na het behalen van twee diploma’s omdat de antichloortirades die ik thuis steeds te horen kreeg ook de zin in zwemmen hadden doen verbleken.

Eén keer heb ik gevoetbald. Een beetje beschroomd en vooral uit sociale overwegingen, op het weiland naast de school, wetend dat ik het thuis nooit zou vertellen. Tot mijn verrassing kreeg ik de bal per ongeluk op mijn voet, schopte hem ongeveer in de goede richting en maakte een doelpunt omdat de keeper stond te dromen. ‘Caroline heeft gescoord’. Ik hoor de verbazing van de jongens nog. Ik hoorde erbij. Doel bereikt.

Bergen en buikpijn

Een vorm van lichamelijke inspanning die wel de volle goedkeuring van vader kon wegdragen was bergwandelen. Tijdens de jaarlijkse vakanties in de bergen leerde ik ontzettend veel. Hoe je een wandeling plant, welke kleding je draagt (wollen muts), hoe je een hoogtekaart leest, de juiste motoriek bij de afdaling (‘oersterk zakritme’), wat te doen bij onweer en tegen de hoogtezon. Ondanks mijn protest – vaak wilde ik liever lezen – is de liefde voor de bergen mij met de paplepel ingegoten.

Vader vond me wel onhandig. Bij hem in de buurt was ik dat ook. Altijd gooide ik iets om als ik bij hem op bezoek was. Dat was na de scheiding van de ouders in 1973. Van een bezoekje aan vader kwam ik steevast met buikpijn thuis. Ik dacht dat het erbij hoorde. Buurman Theo had me de tijgersluiphouding geleerd. Als ik zo een uurtje op bed lag ging het vanzelf over. Zo ging het wel.

Scholen en rugpijn

De jaarlijkse vakantie in de bergen konden niet voorkomen dat ik het contact met mijn lichaam min of meer kwijt ben geraakt in mijn jeugd. Gymmen? Dat was niks voor mij.

Tot schrik van de gymleraar op de middelbare school wilde mijn moeder een tienminutengesprek met hem – een originele aanvraag, ingegeven door het feit dat gym het enige vak was waar ik een hekel aan had. Hij had niet veel te zeggen, zei mijn moeder achteraf. Ik denk dat ik me in zijn lessen onopvallend en aangepast gedroeg. Een mager zeventje. Mijn laagste cijfer. Je hoeft niet alles goed te kunnen, zei moeder geruststellend.

Ondertussen verliep de vorming van mijn intellect en creativiteit uitermate voorspoedig. Ik schreef, rekende, bedacht verhalen, schreef gedichten en werkstukken, zat vol ideeën. School en universiteit scherpten mijn analytische vermogens, verbeeldingskracht en algemene ontwikkeling. Een prima basis voor mijn werkende leven dat in 1986 aanving.

Maar rond mijn tweeëndertigste ging er iets mis. Na een fietstocht kon ik niet meer rechtop staan. Vanuit de onderrug drong een hevige pijn mijn benen in. Een forse hernia, zei de neuroloog, die me zes weken, en later nog eens vier weken bedrust voorschreef. Zou ze hebben vermoed hoezeer ik die rust nodig had na vijfentwintig jaar ijverig studeren en werken?

Samen met de hernia kwam mijn grote liefde mijn leven binnen, en met hem sport en blijmoed. Voor hem geen groter plezier dan achter een bal aanrennen, een bal gooien of er een vangen. Hij was met stomheid geslagen toen ik een mandarijn die hij me speels toewierp naast me op de grond liet vallen. Geen vang-impuls. Mijn latere poging om te leren tennissen werd voor hem een bron van hilariteit. Gelukkig bleek hij ook van bergwandelen te houden en kon ik mijn kennis aan hem en later ook aan onze zoon doorgeven. In sport was ik de onbenul, in de bergen de leraar.

Belichaamd leiderschap

Ik had het geluk in mijn nieuwe woonplaats Den Haag buurman Shreeniwas te leren kennen. Van hem heb ik yoga in zijn puurste vorm geleerd: verpletterende eenvoud en eerlijkheid op een houten vloer.

Hoe meer yoga ik beoefende, hoe meer het me begon te dagen dat mijn intellectuele en creatieve vermogens meer dan anderhalve meter boven de grond zweefden.

Mijn stem had geen diepte, mijn gebaren geen gewicht.
Mezelf overgeven aan anderen – geen idee wat het was.
Ontspannen na inspanning – heel even dan, en dan weer door.
‘Laat de stoel je dragen’ – hoe dan?

Ik werd door verschillende coaches aangemoedigd om meer te aarden en startte een onderzoek naar wat ze daarmee in vredesnaam bedoelden. Ontdekte dat een voorwaarde voor leidinggeven aan anderen was dat ik kon leidinggeven aan mezelf, en dat ik daarvoor mijn lichaam beter moest leren kennen. Het lichaam bleek inderdaad een onuitputtelijke bron van wijsheid.

Hoe kan ik
ooit begrijpen
hoe alles werkt?
Dat doet het lichaam.
Hier en nu.

(Vrij naar Dao De Jing, hoofdstuk 21)

Langzaam maar gestaag zette ik mijn stappen op het pad van ‘belichaamd leiderschap’. Anno 2020 voed ik mij dagelijks met natuur, poëzie, filosofie, yoga en qi gong en is mijn carrière een natuurlijke afgeleide geworden van mijn ontwikkeling in plaats van een losstaand doel.

Een sporter ben ik niet geworden, wel iemand die gestaag en gedisciplineerd traint met als doel: 'Sinking the qi, mobilizing the qi en opening the channels'. Ik leer hoe ik mijn zwaartepunt kan laten zakken, mijn energie kan mobiliseren, wat mijn lichaam vertelt, hoe ik mijn hart beheerst kan openen, mijn geest wat kan temmen. En wat het effect daarvan is: hogere kwaliteit, meer plezier en meer betekenis. Volgend jaar word ik zestig maar het gevoel nog maar net te beginnen overheerst. Ik maak een diepe buiging naar de Westerse pioniers die in de afgelopen eeuw met geduld hebben gewerkt aan de ontsluiting van Oosterse kennis over ontwikkeling en vitaliteit. Dat ik dankzij hen op dat pad mijn weg mag zoeken vervult me met grote dankbaarheid.

Hoe te begrijpen hoe alles werkt?

Ik ben in de jaren zestig grootgebracht met strenge opvattingen van mijn vader over goed en fout. Daarbij ging het niet alleen over zaken van rechtvaardigheid en moraal. Op de lijst van goed stonden bijvoorbeeld moderne kunst, wollen mutsen en macrobiotisch eten. En hoog op de lijst van fout – abject noemde hij het - stonden melk en sport. Sport, vooral balsport en helemaal voetbal, was voor dommen en roekelozen. Het liefst zou hij mijn broer en mij hebben behoed voor gymlessen op school, maar zover reikte zijn invloed niet.

Op turnen mocht ik niet en balletles was geen succes. Ik rende na een les de zaal uit, struikelde over een drempel en brak mijn voortand. Einde ballet. Met zwemmen stopte ik na het behalen van twee diploma’s omdat de antichloortirades die ik thuis steeds te horen kreeg ook de zin in zwemmen hadden doen verbleken.

Eén keer heb ik gevoetbald. Een beetje beschroomd en vooral uit sociale overwegingen, op het weiland naast de school, wetend dat ik het thuis nooit zou vertellen. Tot mijn verrassing kreeg ik de bal per ongeluk op mijn voet, schopte hem ongeveer in de goede richting en maakte een doelpunt omdat de keeper stond te dromen. ‘Caroline heeft gescoord’. Ik hoor de verbazing van de jongens nog. Ik hoorde erbij. Doel bereikt.

Bergen en buikpijn

Een vorm van lichamelijke inspanning die wel de volle goedkeuring van vader kon wegdragen was bergwandelen. Tijdens de jaarlijkse vakanties in de bergen leerde ik ontzettend veel. Hoe je een wandeling plant, welke kleding je draagt (wollen muts), hoe je een hoogtekaart leest, de juiste motoriek bij de afdaling (‘oersterk zakritme’), wat te doen bij onweer en tegen de hoogtezon. Ondanks mijn protest – vaak wilde ik liever lezen – is de liefde voor de bergen mij met de paplepel ingegoten.

Vader vond me wel onhandig. Bij hem in de buurt was ik dat ook. Altijd gooide ik iets om als ik bij hem op bezoek was. Dat was na de scheiding van de ouders in 1973. Van een bezoekje aan vader kwam ik steevast met buikpijn thuis. Ik dacht dat het erbij hoorde. Buurman Theo had me de tijgersluiphouding geleerd. Als ik zo een uurtje op bed lag ging het vanzelf over. Zo ging het wel.

Scholen en rugpijn

De jaarlijkse vakantie in de bergen konden niet voorkomen dat ik het contact met mijn lichaam min of meer kwijt ben geraakt in mijn jeugd. Gymmen? Dat was niks voor mij.

Tot schrik van de gymleraar op de middelbare school wilde mijn moeder een tienminutengesprek met hem – een originele aanvraag, ingegeven door het feit dat gym het enige vak was waar ik een hekel aan had. Hij had niet veel te zeggen, zei mijn moeder achteraf. Ik denk dat ik me in zijn lessen onopvallend en aangepast gedroeg. Een mager zeventje. Mijn laagste cijfer. Je hoeft niet alles goed te kunnen, zei moeder geruststellend.

Ondertussen verliep de vorming van mijn intellect en creativiteit uitermate voorspoedig. Ik schreef, rekende, bedacht verhalen, schreef gedichten en werkstukken, zat vol ideeën. School en universiteit scherpten mijn analytische vermogens, verbeeldingskracht en algemene ontwikkeling. Een prima basis voor mijn werkende leven dat in 1986 aanving.

Maar rond mijn tweeëndertigste ging er iets mis. Na een fietstocht kon ik niet meer rechtop staan. Vanuit de onderrug drong een hevige pijn mijn benen in. Een forse hernia, zei de neuroloog, die me zes weken, en later nog eens vier weken bedrust voorschreef. Zou ze hebben vermoed hoezeer ik die rust nodig had na vijfentwintig jaar ijverig studeren en werken?

Samen met de hernia kwam mijn grote liefde mijn leven binnen, en met hem sport en blijmoed. Voor hem geen groter plezier dan achter een bal aanrennen, een bal gooien of er een vangen. Hij was met stomheid geslagen toen ik een mandarijn die hij me speels toewierp naast me op de grond liet vallen. Geen vang-impuls. Mijn latere poging om te leren tennissen werd voor hem een bron van hilariteit. Gelukkig bleek hij ook van bergwandelen te houden en kon ik mijn kennis aan hem en later ook aan onze zoon doorgeven. In sport was ik de onbenul, in de bergen de leraar.

Belichaamd leiderschap

Ik had het geluk in mijn nieuwe woonplaats Den Haag buurman Shreeniwas te leren kennen. Van hem heb ik yoga in zijn puurste vorm geleerd: verpletterende eenvoud en eerlijkheid op een houten vloer.

Hoe meer yoga ik beoefende, hoe meer het me begon te dagen dat mijn intellectuele en creatieve vermogens meer dan anderhalve meter boven de grond zweefden.

Mijn stem had geen diepte, mijn gebaren geen gewicht.
Mezelf overgeven aan anderen – geen idee wat het was.
Ontspannen na inspanning – heel even dan, en dan weer door.
‘Laat de stoel je dragen’ – hoe dan?

Ik werd door verschillende coaches aangemoedigd om meer te aarden en startte een onderzoek naar wat ze daarmee in vredesnaam bedoelden. Ontdekte dat een voorwaarde voor leidinggeven aan anderen was dat ik kon leidinggeven aan mezelf, en dat ik daarvoor mijn lichaam beter moest leren kennen. Het lichaam bleek inderdaad een onuitputtelijke bron van wijsheid.

Hoe kan ik
ooit begrijpen
hoe alles werkt?
Dat doet het lichaam.
Hier en nu.

(Vrij naar Dao De Jing, hoofdstuk 21)

Langzaam maar gestaag zette ik mijn stappen op het pad van ‘belichaamd leiderschap’. Anno 2020 voed ik mij dagelijks met natuur, poëzie, filosofie, yoga en qi gong en is mijn carrière een natuurlijke afgeleide geworden van mijn ontwikkeling in plaats van een losstaand doel.

Een sporter ben ik niet geworden, wel iemand die gestaag en gedisciplineerd traint met als doel: 'Sinking the qi, mobilizing the qi en opening the channels'. Ik leer hoe ik mijn zwaartepunt kan laten zakken, mijn energie kan mobiliseren, wat mijn lichaam vertelt, hoe ik mijn hart beheerst kan openen, mijn geest wat kan temmen. En wat het effect daarvan is: hogere kwaliteit, meer plezier en meer betekenis. Volgend jaar word ik zestig maar het gevoel nog maar net te beginnen overheerst. Ik maak een diepe buiging naar de Westerse pioniers die in de afgelopen eeuw met geduld hebben gewerkt aan de ontsluiting van Oosterse kennis over ontwikkeling en vitaliteit. Dat ik dankzij hen op dat pad mijn weg mag zoeken vervult me met grote dankbaarheid.